
KNVB faalt in cassatie met powerplay tegen de Hoge Raad
De KNVB legde zich niet neer bij de uitspraak van het Gerechtshof, die de intrekking van Vitesse’s proflicentie ongedaan maakte, en stapte naar de Hoge Raad. Het verweer van Vitesse’s advocaten laat zien waarom dat beroep niet overtuigt: de KNVB negeerde actuele ontwikkelingen, volgde het eigen licentiereglement niet en probeerde de spelregels van cassatie te omzeilen.
Hoe werkt een cassatieberoep?
Nadat het gerechtshof in het kort geding oordeelde dat de intrekking van Vitesse’s proflicentie moest worden geschorst[1], legde de KNVB zich daar niet bij neer. De bond ging in cassatie bij de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege van Nederland.[2] Belangrijk om te weten: in cassatie wordt een zaak niet opnieuw inhoudelijk behandeld. De Hoge Raad kijkt niet of de feiten kloppen, maar alleen of het gerechtshof het recht juist heeft toegepast en zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Geen van beide partijen mag nieuwe feiten aandragen die niet eerder in de procedure zijn ingebracht. De zaak wordt beoordeeld op basis van wat er bij het Gerechtshof al lag, niet op basis van wat een van de partijen er achteraf nog aan zou willen toevoegen.
Nadat de KNVB haar cassatiemiddel indiende (het processtuk waarin ze uitlegt waarom ze het niet eens is met het arrest van het hof) kreeg Vitesse de kans om daarop te reageren. Dat gebeurde met een schriftelijke toelichting, opgesteld door advocaten J.H.M. van Swaaij, W.A. Jacobs en O.D. Kemerink van Van Swaaij Cassatie & Consultancy.[3] Dat verweer, 34 kantjes dik, staat centraal in dit artikel. Na deze schriftelijke rondes bracht de advocaat-generaal advies uit aan de Hoge Raad[4], en deed de Hoge Raad tot slot uitspraak: het cassatieberoep van de KNVB is volledig verworpen.[5]
Het cassatiemiddel van de KNVB zelf is niet openbaar. In een uiterst summiere reactie heeft de bond alleen laten weten “uiteraard de uitspraak zorgvuldig te zullen bestuderen”.[6] Maar omdat het verweer van Vitesse er gedetailleerd op reageert, geeft dit document toch een goed beeld van wat de KNVB heeft aangevoerd. We kijken wel enigszins door een geel-zwarte bril, want dit stuk is geschreven namens Vitesse en daarom per definitie gekleurd. We hebbben paragraafnummers opgenomen zodat de volledige tekst waarnaar verwezen wordt in het verweer terug te vinden is.
Het verweer
Het verweer van Vitesse is grofweg opgedeeld in drie onderdelen die we puntsgewijs zullen behandelen:
- De vooringenomenheid van de KNVB om de licentie in te trekken en daarbij actuele ontwikkelingen en welwillendheid om mee te werken te negeren;
- De gang van zaken tijdens de licentie- en beroepsprocedures waarbij de KNVB meermaals het eigen licentiereglement overtrad;
- Hoe de KNVB de regels omtrent cassatie aan haar laars lapt en probeert de Hoge Raad met powerplay te intimideren.
Actuele ontwikkelingen werden genegeerd
Het verweer opent met iets dat je het fundament van de hele zaak zou kunnen noemen. De advocaten van Vitesse leggen uit dat het gerechtshof al heeft vastgesteld dat de Licentiecommissie (LC) en de Beroepscommissie (BC) de licentieprocedure weliswaar met grote spoed en onder hoge druk hebben gevoerd, maar daarbij de actuele ontwikkelingen rond Vitesse (met name de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het zogeheten Herinrichtingsplan 2025) feitelijk buiten beschouwing hebben gelaten (§ 2). Dat gebeurde ondanks dat Vitesse de KNVB, de LC en de BC daar uitvoerig over op de hoogte hield en hen daar nadrukkelijk bij wilde betrekken.
Volgens het verweer zou de LC het voorgenomen besluit tot intrekking al in december 2024 hebben genomen. Vanaf dat moment was er geen ruimte meer om nog serieus naar de club te luisteren (§ 5). Concreet betekent dit volgens de advocaten dat alle latere verzoeken en beroepen van Vitesse in de maanden erna automatisch zijn afgewezen, en dat het uiteindelijke intrekkingsbesluit van 10 juli 2025 voornamelijk leunt op argumenten die al in dat eerdere, voorgenomen besluit stonden. Met andere woorden: de conclusie stond volgens Vitesse eigenlijk al een half jaar van tevoren vast, en alles wat de club daarna nog aandroeg om de zaak te keren, veranderde daar weinig tot niets meer aan.
Kort gezegd: Vitesse probeerde de bond keer op keer te informeren over positieve ontwikkelingen die relevant waren voor het voortbestaan van haar proflicentie, maar die informatie kwam bij de LC en de BC niet aan, of werd in elk geval niet meegewogen in hun besluitvorming. Dat gegeven vormt volgens het verweer het vertrekpunt waarlangs de rest van de zaak moet worden bekeken.
Geen overleg, geen duidelijkheid, en toch bestraft
In het tweede deel wordt het menselijke verhaal achter deze juridische strijd zichtbaar. De advocaten stellen dat voor Vitesse de zaak neerkomt op een “kwestie van leven en dood”, terwijl voor de KNVB alleen de eigen reputatie als “strenge handhaver” op het spel stond (§ 3). Die tegenstelling gebruiken ze om te laten zien waarom de belangenafweging alleen maar in het voordeel van Vitesse kan uitvallen: het bestaansrecht van de bijna oudste voetbalclub van Nederland weegt zwaarder dan de wens van de KNVB om haar eigen gelijk te halen.
Een groot deel van het verweer (hoofdstuk B.3, ruim tien pagina’s) is gewijd aan hoe de gesprekken tussen Vitesse en de KNVB in de praktijk verliepen. En dat is meteen het meest onthullende deel van het document, omdat de licentieprocedure (tot nu toe) grotendeels achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden. Het patroon dat daaruit oprijst is steeds hetzelfde: Vitesse vraagt om overleg en duidelijkheid over wat er precies van haar verwacht wordt, en krijgt dat niet. Zodra die duidelijkheid er via een omweg tóch komt, blijkt Vitesse in staat om er snel gevolg aan te geven. Maar die inspanning wordt vervolgens niet meegewogen in de besluiten die volgen. Een paar voorbeelden die het verweer aandraagt om dit patroon te onderbouwen:
- Een verzoek om rust, direct afgewezen
Op 11 april 2025 vroeg Vitesse per brief om overleg en een langere beroepstermijn, zodat partijen “in alle rust” met elkaar in gesprek konden gaan en zouden kunnen verkennen of een onderlinge oplossing mogelijk was. Twee dagen later werd dat verzoek door de LC afgewezen, zonder enige motivering (§ 54.1–54.2). - Een besluit terwijl het beroep nog liep
Terwijl het beroep tegen twee eerdere sanctiebesluiten nog bij de Beroepscommissie lag, nam de LC op 23 mei 2025 alvast een voorgenomen intrekkingsbesluit. Volgens het verweer is dat in strijd met de regel dat een lopend beroep de uitvoering van eerdere besluiten opschort (artikel 13 lid 5 Licentiereglement). De LC had eerst moeten afwachten hoe de BC over die eerdere kwestie zou oordelen (§ 50–53). - Zittingsdata plannen zonder ruimte voor overleg
Op 23 mei 2025 werd Vitesse gevraagd of ze gehoord wilde worden over het voorgenomen intrekkingsbesluit, maar in plaats van naar verhinderdata te vragen, kondigde de LC gewoon zelf een datum aan met de mededeling dat, mocht die datum Vitesse niet uitkomen, de LC dan zelf wel een andere datum zou kiezen (§ 54.8). Later, op 23 juni 2025, plande de Beroepscommissie een zitting in de avonduren op precies de datum die Vitesse eerder had opgegeven als ‘verhinderd’. Toen de advocaat van Vitesse binnen vijf minuten om telefonisch overleg vroeg, omdat hij op dat moment elders een interview had, kreeg hij te horen dat de zitting gewoon doorging zoals gepland, en dat hij zich desnoods maar moest laten vervangen (§ 54.15). - Wel meewerken, geen krediet
Op 10 juni 2025 kreeg Vitesse eindelijk concreet te horen wat de LC precies verlangde: onder meer een ongelakte versie van een geheime aandeelhoudersovereenkomst en alle correspondentie met de bank en de accountant. Vitesse ging daar diezelfde avond nog mee aan de slag. Binnen enkele dagen waren de gevraagde stukken geleverd, en binnen twee weken meldde Vitesse dat de aandelenoverdracht aan de nieuwe eigenaren, de Sterkhouders, rond was (§ 57). Ondanks die snelle en volledige medewerking ontving Vitesse een maand later toch het definitieve intrekkingsbesluit gegrond op, onder andere, haar zogenaamde “onwil” om mee te werken. - Ook bij de Beroepscommissie herhaalt zich dit
Tijdens de zitting van 25 juli 2025 werd voor het eerst echt duidelijk waar het venijn precies in zat: de betrokkenheid van bepaalde partijen bij de aandelenoverdracht. Twee dagen later, op 27 juli 2025, stuurde Vitesse een e-mail waarin ze meldde dat de nieuwe eigenaren bereid waren een opschortende voorwaarde uit de koopovereenkomst te laten vallen, om zo meer zekerheid te bieden. Tijdens diezelfde zitting had een van de betrokken nieuwe eigenaren dit ook al willen toelichten, maar de voorzitter van de BC nam hem op dat moment het woord af met de mededeling dat “de behandeling nu gesloten” was (§ 62.6–62.7). De e-mail van 27 juli werd naderhand niet meer meegewogen in het besluit.
Steeds hetzelfde beeld dus: zodra Vitesse eindelijk weet wat er van haar verwacht wordt, doet ze wat er gevraagd wordt. En steeds wordt die vooruitgang genegeerd zodra het besluit er ligt. De advocaten van Vitesse vatten dit treffend samen als een “(Oost-Indisch) doof oor”. Hoe hard Vitesse ook probeerde om eruit te komen, de bereidheid om te luisteren ontbrak zowel bij de KNVB als bij de LC en de BC (§ 59). Het is dit patroon, dus niet één incident maar een reeks vergelijkbare situaties bij twee verschillende commissies, dat de kern vormt van waarom het hof de intrekkingsbesluiten uiteindelijk heeft vernietigd wegens schending van hoor en wederhoor.
De Hoge Raad is geen derde feitenrechter
Het scherpste onderdeel van het verweer zit in hoofdstuk A.3, en is ook het punt waarop het cassatieberoep van de KNVB volgens Vitesse al bij voorbaat grotendeels kansloos is. Om dit te begrijpen, helpt het om terug te grijpen op de spelregels uit de inleiding: in cassatie mag je geen nieuwe feiten aandragen, en je mag ook niet vragen om feiten die de rechter al heeft beoordeeld gewoon opnieuw te laten beoordelen. Je mag alleen klagen over de manier waarop het recht is toegepast.
Volgens de advocaten van Vitesse overtreedt de KNVB precies die regel. Ze wijzen erop dat de KNVB in haar cassatiemiddel op tientallen plekken verwijst naar stukken en documenten die ooit wél zijn ingeleverd bij de rechtbank of het hof, maar die destijds nooit expliciet zijn aangehaald om het punt te onderbouwen dat de KNVB er nu, in cassatie, opeens mee wil maken (§ 10). Vergelijk het met een rechtszaak waarin iemand een dikke map bewijsstukken aanlevert, zonder erbij te zeggen welke bladzijde ertoe doet. En pas jaren later, in hoger beroep, ineens wijst naar bladzijde 128 als hét bewijs voor zijn punt. Dat mag niet zomaar, want de rechter en de tegenpartij moeten steeds kunnen weten waar een partij zich precies op beroept. Klachten die pas achteraf, in cassatie, met zulke nieuwe verwijzingen komen, kunnen daarom niet slagen (§ 9).
Het verweer werkt dit heel gedetailleerd uit in tien subparagrafen (§ 11.1 t/m 11.10). Bij elke afzonderlijke klacht van de KNVB laten de advocaten zien: dit citaat, deze voetnoot, of deze uitleg staat wel in het cassatiemiddel, maar is destijds nooit op deze manier ingebracht in de eerdere procedure bij de rechtbank of het hof. Voor deze werkwijze verwijzen de advocaten zelfs naar een blog van de eigen cassatieadvocaat van de KNVB, het kantoor van landsadvocaat Pels Rijcken, met als treffende titel “een productie is niets zonder concrete verwijzing” (§ 9, voetnoot 8).[7] Hiermee confronteren de advocaten van Vitesse de KNVB met haar eigen kantoor die in het cassatiemiddel het tegenovergestelde doen van wat ze op hun eigen website adviseren.
De conclusie van Vitesse is dat de KNVB hiermee probeert de Hoge Raad te bewegen om zich als een soort “derde feitelijke instantie” op te stellen (§ 8). Die zou niet moeten toetsen of het hof het recht goed heeft toegepast, maar gewoon opnieuw naar de feiten kijken, en dan het liefst op een manier die de KNVB beter uitkomt. Daar is de cassatieprocedure niet voor bedoeld (§ 7). Het verweer noemt dit een vorm van “powerplay”: van Vitesse wordt verwacht dat ze zich aan alle procedurele beperkingen houdt, terwijl de KNVB zelf de spelregels in haar eigen procedures opstelt én die gaandeweg, wanneer het haar uitkomt, verandert (§ 13).
Conclusie
Wat er in het verweer dat namens Vitesse is opgesteld naar boven komt, is een consistent verhaal. In de licentieprocedure kreeg Vitesse pas op het allerlaatste moment duidelijkheid over wat er van haar verwacht werd, waarna ze steeds snel en volledig leverde, zonder dat dit werd meegewogen in de uiteindelijke besluiten. En in cassatie probeerde de KNVB niet zozeer aan te tonen dat het hof het recht verkeerd had toegepast, maar vooral om de feiten opnieuw te laten beoordelen, met verwijzingen naar stukken die eerder nooit op die manier waren ingebracht. Volgens het verweer is het telkens de KNVB die de eigen regels naar haar hand probeerde te zetten om haar gelijk te halen. Dat de Hoge Raad het cassatieberoep uiteindelijk heeft verworpen, past in dat beeld. Waar de KNVB probeerde de spelregels te herschrijven, hield het hoogste rechtscollege vast aan de regels zoals ze zijn, waarmee de voetbalbond een flinke tik op de vingers kreeg.
Het is gissen waarom de KNVB, bij monde van Marianne van Leeuwen “in het belang van het gehele betaald voetbal”, het cassatieberoep zó slecht heeft uitgevoerd. Zowel juristen van de bond als de mede in cassatie gespecialiseerde landsadvocaat Pels Rijcken moeten weten dat de gevolgde tactiek, namelijk nieuwe feiten inbrengen, volstrekt kansloos is. Om de advocaat-generaal in zijn advies aan de Hoge Raad te parafraseren: zo werkt cassatie niet. Waarom is het cassatiemiddel dan toch zo opgesteld? Hoopte men in Zeist dat Vitesse onder de juridische kosten zou bezwijken en zou aansturen op een schikking? Stond de hele afdeling betaald voetbal achter dit besluit en de uitvoering ervan, of hebben slechts enkele beleidsmakers het erdoorheen gedrukt? Van wie kwam het juridisch advies om in cassatie te gaan?
Al met al heeft dit cassatieberoep de KNVB, en daarmee alle amateurvoetballers in Nederland die er automatisch lid van zijn, een hoop geld gekost. En dat terwijl de voetbalbond al zo krap bij kas zit.[8] De enigen die gewonnen hebben, zijn de advocaten van beide partijen. Het gehele betaald voetbal waarvoor de KNVB zegt op te komen, heeft er helemaal niks aan gehad. Ook Vitesse niet, dat werd opgezadeld met hoge juridische kosten waarvan de KNVB zoals gebruikelijk bij cassatie slechts een kleine tegemoetkoming hoeft te vergoeden. De betaaldvoetbalclubs zouden zichzelf moeten afvragen of de directie betaald voetbal hun belangen nog wel op de juiste manier vertegenwoordigt. En of het toezicht van de LC en BC wel zo professioneel is als de KNVB beweert, aangezien het ten aanzien van Vitesse niet goed werd toegepast. Een onafhankelijke commissie betekent niet dat deze onfeilbaar is. Wie controleert deze onafhankelijke organen, die verstrekkende besluiten kunnen nemen voor het gehele betaald voetbal?
Na maandenlange onzekerheid heeft de KNVB eindelijk antwoord op haar rechtsvraag, namelijk of het Gerechtshof te ver was gegaan door de intrekking van de proflicentie van Vitesse te schorsen. Het simpele antwoord is: nee. De vraag die daar logischerwijs op volgt, luidt: hoe nu verder?
[1] https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHARL:2025:5371
[2] https://www.knvb.nl/nieuws/betaald-voetbal/licentiezaken/71189/knvb-cassatie-belang-betaald-voetbal
[3] https://www.vscc.nl/ons-succesvolle-stevige-verweer-voor-vitesse-tegen-de-cassatieklachten-van-de-knvb/
[4] https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2026:448
[5] https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:1300
[6] https://www.knvb.nl/nieuws/betaald-voetbal/licentiezaken/72025/hoge-raad-verwerpt-cassatieberoep-knvb
[7] https://cassatieblog.nl/proces-en-beslagrecht/een-productie-niets-zonder-concrete-verwijzing/
[8] https://www.espn.nl/voetbal/artikel/_/id/16803552/knvb-draait-alleen-geen-verlies-als-oranje-wk-wint
